Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE4758

Datum uitspraak2002-05-15
Datum gepubliceerd2002-06-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200022402
Statusgepubliceerd


Uitspraak

rolnummer 2200022402 parketnummer 1015003501 datum uitspraak 15 mei 2002 tegenspraak GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 29 november 2001 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 mei 2002. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Door de politie zijn telefoon-gesprekken tussen de raadsman van de verdachte en de vriendin van de verdachte, genaamd [de vrouw], afgeluisterd en de uitwerking daarvan is onrechtmatig in het dossier gevoegd. De raadsman stelt daarbij dat hij als verschoningsgerechtigde als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering dient te worden aangemerkt en dat de officier van justitie in strijd met artikel 126aa lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de processen-verbaal die de bedoelde gesprekken bevatten niet heeft vernietigd. Dit verweer wordt verworpen. Het niet vernietigen en doen opnemen in het dossier van die processen-verbaal, waarin de afgeluisterde telefoongesprekken zijn uitgewerkt, is weliswaar in strijd met de wettelijke bepalingen terzake, maar, naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden, dat de officier van justitie heeft gehandeld ter doelbewuste misleiding van de rechter, noch ook dat met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Veeleer is aannemelijk dat terzake verwijtbaar slordig en onzorgvuldig is gehandeld. Er is derhalve geen sprake van zodanig ernstige inbreuk op de beginselen een van behoorlijke procesorde, dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou behoren te worden verklaard in de vervolging. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking, dat niet valt in te zien op welke wijze de inhoud van deze ten onrechte niet vernietigde processen-verbaal de rechtens te respecteren belangen van de verdachte, dan wel algemene belangen als de vertrouwelijk-heid van - in casu - gesprekken van een derde met een advocaat geschaad kan hebben. Het hof acht dan ook schending van enige importantie van zodanig algemeen belang in casu niet aanwezig. Nu naar het oordeel van het hof in casu geen belangen van de verdachte zijn geschaad is ook overigens geen sprake van toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden dienen te leiden. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt. BIJLAGE dat hij in de periode van 1 maart 2001 tot en met 26 april 2001 te Rotterdam en Lelystad en te Amsterdam en (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk vanuit Colombia binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 303 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, (verpakt in aluminium broodjes), immers hebben verdachte en/of zijn mededaders toen aldaar opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen, conform een tevoren gemaakt plan, de volgende handelingen verricht: - het bedrijf [bedrijfsnaam] benaderd en/of (aldaar) afspraken gemaakt met (een) medewerk(st)er(s) van dat bedrijf over de wijze waarop hij en/of zijn mededader(s) (telefonisch) bereikbaar (kon)den zijn en/of kon(den) worden ingelicht en/of - met een of meer ander(en) afspraken gemaakt over het vervoeren van de aluminium broodjes, waarin voornoemde hoeveelheid cocaïne verpakt was; zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering De advocaat-generaal mr Wittop Koning heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de zogenaamde verlengde invoer van een grote partij (circa 303 kilo) cocaïne. De verdachte heeft bij het verder Nederland binnen brengen van dit transport een belangrijke rol gespeeld. Het importeren van cocaïne, waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit, is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt. Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in zowel de door de eerste rechter opgelegde straf, als in de door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf. Het is op deze grond dat het hof de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de eerste rechter is opgelegd en thans door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op het artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Beslissing Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN JAAR. Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mrs Oosterhof, Gerritzen en Zandbergen, in bijzijn van de griffier mr Prinsen. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2002.